|
Doof wil zeggen dat iemand zo slecht hoort, dat de stem van een ander ook
met gebruik van hoorapparatuur onvoldoende goed verstaan wordt om een
gesprek te kunnen voeren.
Voor de communicatie met dove mensen is het heel belangrijk te weten wanneer
de doofheid ontstaan is. Als iemand doof geboren is of doof is geworden voor
of tijdens de periode van taalverwerving, spreekt men van prelinguale,
voortalige of vroeg-verworven
doofheid.
Mensen die vroegdoof zijn, hebben de gesproken taal nooit gehoord.
Zij hebben een taal moeten leren op grond van visuele, in plaats van
auditieve informatie. Gebarentalen zijn natuurlijke, visuele talen
die in principe dezelfde mogelijkheden hebben als gesproken talen, maar die
voor dove mensen veel beter waarneembaar
zijn dan een gesproken taal. In steeds meer landen wordt daarom
tegenwoordig binnen het onderwijs aan doven geadviseerd bij vroegverworven
doofheid de gebarentaal als eerste taal aan te bieden.
De
gesproken taal van de horende gemeenschap zal dan als tweede taal geleerd
moeten worden. Voor veel vroegdove mensen blijft de gesproken taal in zekere
zin altijd een 'vreemde' taal, die niet volledig beheerst wordt.
De meeste dove mensen zijn echter pas op latere leeftijd doof geworden. Zij
beheersen het Nederlands wel, maar kunnen het gesproken Nederlands niet meer
verstaan.
Voor communicatie met een sprekende gesprekspartner, zijn alle doven
afhankelijk van liplezen of spraakafzien. Ook wanneer de
spreker duidelijk spreekt en de dove liplezer een goede beheersing van de
Nederlandse taal heeft, is dat een zeer vermoeiende en onzekere vorm van
communicatie. Omdat zeer veel mensen niet duidelijk spreken, en omdat de
omstandigheden (afstand, licht, afleidende visuele prikkels) zelden ideaal
zijn, is visuele ondersteuning van de gesproken boodschap eigenlijk altijd
noodzakelijk. De beperkte beheersing van de Nederlandse taal (woordenschat,
zinsbouw) van veel prelinguaal dove mensen maakt dat liplezen voor
hen in veel gevallen eigenlijk alleen maar voldoet voor het uitwisselen van
basale informatie en beleefdheden.
Visuele ondersteuning van een gesproken boodschap kan door middel van
lichaamstaal, door middel van schrijven, vingerspellen, en/of ondersteunende
gebaren. Veel vroegdove mensen zullen de voorkeur geven aan communicatie
door middel van gebarentaal. Er is dan niet langer sprake van visuele
ondersteuning van de gesproken taal; er wordt dan gebruik gemaakt van
een zelfstandige, visuele taal met een eigen 'woorden'-schat en grammatica:
de Nederlandse Gebarentaal (NGT.
Dove mensen kunnen zich in de communicatie laten
assisteren door een
tolk Gebarentaal. Een
tolk Gebarentaal kan gesproken Nederlands omzetten in gebarentaal (NGT),
Nederlands met ondersteunende gebaren (NMG), of in schrifttaal. In het
laatste geval gebruikt de tolk (de zogenaamde 'schrijftolk' of 'audio-tolk')
een computer; de dove cliënt leest dan wat er gezegd wordt, af van een
monitor .
Vroegdove mensen hebben hun eigen stem nooit gehoord; laatdoven horen de
eigen stem niet meer. De spraak van dove mensen kan daardoor anders klinken
dan men gewend is: monotoon, anders van toon, misschien te hard of te zacht.
Wanneer een dove wordt bijgestaan door een tolk Gebarentaal, kan de tolk de
gebaren en/of de spraak van een moeilijk verstaanbare dove spreker voor een
horende gesprekspartner weergeven in gesproken Nederlands.
Ook als een dove wordt bijgestaan door een tolk, dan
blijft de dove persoon uw gesprekspartner. Kijk uw dove
gesprekspartner aan, en richt uw vragen of opmerkingen tot hem of haar, en
niet tot de tolk. De tolk mag niet met u over de dove persoon praten en
zal uw vragen voor of over uw dove gesprekspartner niet beantwoorden. Alles
wat u zegt, ook zijdelingse opmerkingen van of tegen derden, zullen door de
tolk worden vertaald in gebaren voor de dove persoon. Als uw dove
gesprekspartner niet doof was, zou hij/zij deze opmerkingen immers kunnen
horen.
Een tolk Gebarentaal kunt u aanvragen bij bij
TC-Visinet (tekst/tel:
0346 - 353 888). Zie ook de
adressenlijst.
|